Resultaten

Kiezers zweven minder, maar partijen hebben nog veel te winnen of verliezen

Deze tekst heeft betrekking op de dataset van: woensdag 01 maart 2017
 

Door:  Marc van de Wardt 
Tilburg University (Tilburg School of Governance)
Universiteit Gent (GASPAR)

Woensdag 15 maart gaat Nederland naar de stembus. In dit laatste stuk voor de verkiezingen maken we een aantal vergelijkingen tussen de “huidige” situatie (op basis van de data uit de week van 1 maart) en de week waarin het Verkiezingsonderzoek LISS panel van start ging (week van 18 januari). De eerste vraag is of kiezers nu minder zweven dan aan het begin van de campagne. Omdat het LISS panel respondenten vraagt voor elke partij aan te geven hoe groot de kans is dat zij erop zullen stemmen, kan mooi in kaart worden gebracht hoe de keuzesets zich gedurende de campagne ontwikkeld hebben [1]. Grafiek 1 laat zien dat kiezers nu veel minder zweven dan 7 weken geleden. 37% van de respondenten zegt zeker te weten op welke partij ze gaat stemmen tegenover 27% aan het begin van de campagne. Verder is ook het percentage respondenten dat nog maar tussen 2 partijen twijfelt toegenomen van 27% naar 30%. Echter suggereren deze cijfers tegelijkertijd dat een behoorlijk groot deel van het electoraat nog geen keuze gemaakt heeft. Partijen hebben de komende dagen dus nog een hoop te winnen of te verliezen.

Bij welke partijen vinden we de vastbesloten kiezers? Grafiek 2 laat zien dat de PVV en VVD stuivertje hebben gewisseld. Aan het begin van de campagne trok de PVV nog de meeste niet-zwevers, nu is dit de VVD. Minder respondenten noemen de PVV nu als enige optie, terwijl het aantal vastbeslotenen dat de VVD noemt constant bleef. Hieruit mogen we niet concluderen dat de VVD voorloopt op de PVV. De meest recente prognose op onze website (11 maart), die ook rekening houdt met de kans dat iemand gaat stemmen en de precieze kansen dat op een partij gestemd wordt, laat namelijk zien dat er geen statistisch significant verschil bestaat tussen het aantal zetels van VVD en PVV. Gedurende de afgelopen weken heeft de VVD op sommige momenten significant voorgelegen op de PVV, maar in de meest recente prognose is dit verschil dus weg.

Om te laten zien hoe zwevend de potentiële aanhangers van de verschillende partijen zijn, heb ik per partij gekeken met hoeveel andere partijen zij in de hoofden van kiezers voorkomen. Grafiek 3 geeft weer dat de potentiële achterbannen van de SGP en PVV het meest vastbesloten zijn. De SGP heeft een hoger percentage kiezers met alleen de SGP in hun keuzeset (iets meer dan 30%) dan de PVV. Daarentegen heeft de PVV meer potentiële kiezers dan de SGP die slechts tussen 2 partijen twijfelen. 50plus en VNL springen eruit als de partijen met de minst vastbeslotenen. 

Tot slot, wat betreft de meest voorkomende keuzesets, vinden we geen spectaculaire veranderingen. In grafiek 4 laat ik alle sets zien die door ten minste 1% van de respondenten genoemd werd. Net als in de eerste week zijn de sets ideologisch coherent. Dit bevestigt dat kiezers twijfelen tussen partijen die ideologisch gezien dicht bij elkaar staan op bepaalde politieke thema’s [2]. De meeste mensen twijfelen nog steeds tussen VVD en D66 (4.7%), gevolgd door de keuze tussen VVD en CDA (4.6%). Deze twee keuzedilemma’s worden vaker genoemd dan aan het begin van de campagne. De triade VVD-CDA-D66 (2.9%) vinden we terug op plaats 4. De gedroomde coalitie van Mark Rutte is dus stevig onderling aan het concurreren om zetels [3]. Opvallend is dat minder mensen twijfelen tussen de duo’s die tijdens de EenVandaag debatten van 10 (PvdA-SP) en 13 maart (VVD-PVV) in actie kwamen/komen. Bijna 2% van de respondenten twijfelt nog tussen VVD en PVV (was 2.5%) en ook keuzesets waarin zowel de PvdA als SP voorkomen zijn minder vertegenwoordigd in grafiek 4. Of het debat tussen VVD en PVV een zogenaamde gamechanger wordt valt onmogelijk te voorspellen. Maar als het zover komt, dan laten de keuzesets zien dat de VVD voornamelijk stemmen weg kan halen bij D66 en het CDA. In dit licht is het niet verwonderlijk dat Buma (CDA) en Pechtold (D66) niet blij zijn dat de VVD de kans krijgt zich te profileren in het PVV-VVD debat [4][5].

Grafiek 1: Aantal partijen in keuzeset
Grafiek 2: Niet-zwevende kiezers naar partij


Grafiek 3: Aantal andere partijen waarmee partijen in een set zitten


Grafiek 4: Meest genoemde keuzesets

Voetnoten:

[1] Een partij wordt onderdeel van een keuzeset als de respondent aangeeft dat de kans groter dan 0 is dat hij/zij erop zal stemmen. Respondenten die zeggen zeker niet te gaan stemmen of blanco te stemmen heb ik buiten de analyses gelaten. 
[2] Van der Meer, T., Lubbe, R., Van Elsas, E., Elff, M., & Van Der Brug, W. (2012). Bounded volatility in the Dutch electoral battlefield: A panel study on the structure of changing vote intentions in the Netherlands during 2006–2010. Acta Politica, 47(4), 333-355.
[3] http://politiek.tpo.nl/2017/02/24/radio-1-debat-met-wie-willen-ze-regere...
[4] http://verkiezingen.eenvandaag.nl/blogs/72549/cda_niet_bij_debat_vvd_en_pvv
[5] https://www.bnr.nl/nieuws/politiek/kamerverkiezingen/10319554/pechtold-a...

Doet opkomst ertoe?

Deze tekst heeft betrekking op de dataset van: woensdag 22 februari 2017
 

Door: Daan Jacobs, Tilburg University  (Tilburg School of Politics and Public Administration)

Bij peilingen gaat de meeste aandacht doorgaans naar de vraag op welke partij kiezers gaan stemmen. Minstens zo belangrijk is echter de vraag of kiezers gaan stemmen. Kijken we bijvoorbeeld naar de afgelopen presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten, dan suggereert een nadere analyse dat het verlies van Hillary Clinton op zijn minst ten dele kan worden toegeschreven aan de onverwacht lage opkomst onder Afro-Amerikanen en Latino’s [1]. Hetzelfde geldt voor de uitkomst van het Brexit-referendum, al zou de overwinning van het ja-kamp in dit geval zijn veroorzaakt door een lage opkomst onder jongeren [2]. Het feit dat de uitslag van deze twee verkiezingen op zijn minst deels door de hoogte van de opkomst is bepaald, roept de vraag op of dit ook bij de aankomende Tweede Kamerverkiezingen het geval zou kunnen zijn. Hoe waarschijnlijk is het dat een hoge of lage opkomst bepaalt welke partij de verkiezingen wint?

Om deze vraag te beantwoorden, is het de moeite waard om een blik te werpen op de gemiddelde stemkans voor alle deelnemende partijen. In het verkiezingsonderzoek vragen we de respondenten ook om aan te geven hoe groot de kans is dat ze gaan stemmen. De gemiddelde stemkans staat hier voor de gemiddelde kans dat respondenten die overwegen op een bepaalde partij te stemmen, ook daadwerkelijk gaan stemmen. Voor de drie grootste partijen volgens onze prognose van 22 februari geldt dat deze kans relatief hoog is. De gemiddelde stemkans van respondenten die overwegen om op de VVD, PVV of D66 te stemmen, ligt al enkele weken tussen de 80 en 90% (zie figuur 1). Hoewel bij het interpreteren van dergelijke cijfers enige voorzichtigheid geboden is, lijkt dit te suggereren dat het electorale succes van deze partijen slechts in beperkte mate afhangt van de vraag of hun (potentiële) kiezers ook daadwerkelijk gaan stemmen.

Figuur 1. Stemintentie voor VVD, PVV en D66 [3]


Voor de meeste andere partijen geldt hetzelfde. Hoewel sprake is van enige variatie, is de gemiddelde stemkans voor elke partij aan de hoge kant. Zo zien we dat degenen die overwegen op de SGP te stemmen, aangeven dat de kans dat ze gaan stemmen rond de 80% is. Een belangrijke uitzondering zijn de partijen Denk en VNL (zie figuur 2.) Ondanks een recente toename, was deze kans lange tijd beduidend lager dan die voor andere partijen. Dit suggereert dat het electorale succes van Denk en VNL in sterkere mate afhangt van de vraag of kiezers die overwegen om op hen te stemmen, ook daadwerkelijk hun stem zullen uitbrengen op 15 maart.

Figuur 2. Stemintentie voor SGP, Denk en VNL


Doet opkomst er dus toe? Gegeven het feit dat vrijwel alle partijen een relatief hoge stemkans hebben, lijkt het uitgesloten dat een onverwacht hoge of lage opkomst bepaalt welke partij de verkiezingen wint. Wel zou een dergelijke opkomst van invloed kunnen zijn op het verkiezingsresultaat van individuele partijen, al lijkt de kans daarop langzaam af te nemen.

Voetnoten:
[1] Luhby, Tami. 2016. “How Hillary Clinton Lost”. CNN. http://edition.cnn.com/2016/11/09/politics/clinton-votes-african-americans-latinos-women-white-voters/ (27-02-2017).
[2] Dunford, Daniel and Ashley Kirk. 2016. “How Did Turnout Affect the EU Referendum Result?” The Telegraph. http://www.telegraph.co.uk/news/2016/06/24/how-did-turnout-affect-the-eu-referendum-result/ (27-02-2017).
[3]De in deze column gepresenteerde figuren zijn opgesteld door dr. J.R. de Bresser.

Loten voor de kamer, of toch maar stemmen?

Deze tekst heeft betrekking op de dataset van: donderdag 16 februari 2017
 

Door: Frank Hendriks (professor of comparative governance, Tilburg University)

Zouden Nederlanders er iets voor voelen om de 150 zetels van de Tweede Kamer deels of misschien zelfs wel geheel te laten invullen door loting? Die vraag hebben we afgelopen periode toegevoegd aan het LISS-panel Verkiezingsonderzoek [1]. Het idee van loting is namelijk helemaal terug van weggeweest. In zijn boek met de veelzeggende titel Tegen verkiezingen, ageert de bekende Vlaamse auteur David van Reybrouck tegen de gedachte dat we altijd zouden moeten stemmen voor de verdeling van zetels in vertegenwoordigende kamers, raden en staten [2]. Die zouden ook, en veel beter misschien, kunnen worden ingevuld door loting, door het nemen van een willekeurige steekproef uit de burgerbevolking. Iedere volwassen burger heeft dan in principe een gelijke kans om in een vertegenwoordigende raad terecht te komen. De lotingsgedachte grijpt terug op het klassieke Athene, en is door hedendaagse democratiedenkers als Fishkin, Goodin en Dryzeck weer stevig op de kaart gezet [3]. Loting zou niet alleen een eerlijker verdeling van zetels opleveren, maar ook een betere vertegenwoordiging van, voor en door de demos.

Maar ziet de Nederlandse burgerbevolking - de demos - dat zelf ook zitten?

Als het om de belangrijkste volksvertegenwoordiging van Nederland gaat, de Tweede Kamer, dan lijkt het er niet op (zie de grafiek hierboven):

  • Een zeer grote meerderheid van 85,7% vindt dat geen enkele zetel van de Tweede Kamer door loting moet worden ingevuld, en dat verkiezingen allesbepalend moeten blijven voor de verdeling van Kamerzetels.
  • Loten voor alle Kamerzetels vindt een kleine 3% van de bevolking een goed idee, en loten voor een deel van de 150 Kamerzetels ziet maar 11,3% zitten.
  • Als we bij de laatste groep vragen voor welk deel dan geloot moet worden komt er een gemiddelde uit van 33% van de Kamerzetels. Dat wil zeggen dat zelfs degenen die wel iets voelen voor loting nog steeds tweederde van de Kamer willen kunnen kiezen.

Kortom: de Nederlanders prefereren in overweldigende meerderheid stemmen boven loten voor hun volksvertegenwoordiging; verreweg de meesten vinden dat parlementaire zetels niet aselect (willekeurig) maar select (kieskeurig) moeten worden ingevuld. Burgers willen dus kiezen, maar valt er ook iets te kiezen? Volgens CPB-directeur Laura van Geest, die alle verkiezingsprogramma's afgelopen week doorlichtte, is dat het geval: het programma van de VVD zou significant andere sociaal-economische effecten opleveren dan het programma van, bijvoorbeeld D66, de SP of VNL. Het lijkt er vooralsnog niet op dat de Nederlanders reageren op déze, door CPB-doorgerekende verschillen.

Kijken we naar de trendlijnen in onderstaande grafiek met politieke partijen, dan zien we nog steeds een overheersend beeld van vlakke lijnen. De lichtblauwe lijn van de PVV - een partij die zijn programma niet eens door het CPB liet doorrekenen - lijkt de afgelopen week nog de meeste beweging te vertonen, maar kijken we iets verder terug dan zien we ook bij de PVV weinig verandering: een maand terug, toen het LISS-panel Verkiezingsonderzoek begon, stond de PVV op 23 virtuele Kamerzetels en daar staat de PVV nog steeds op [4]. Al met al tekent zich voorlopig het beeld af van een 6-5-2 race: zes kleinere partijen die elkaar beconcurreren in het gebied onder de 10 virtuele Kamerzetels, vijf partijen die relatief dicht bij elkaar zitten in het gebied rond de 15 zetels, en twee koplopers - de PVV en de VVD - die zich vooralsnog duidelijk hebben losgemaakt in het veld boven de 20 zetels.

Afgelopen week is nogmaals duidelijk geworden dat de twee koplopers die situatie niet graag zien veranderen. Beide partijen hebben afgezegd voor het RTL-4 'premiersdebat' van 26 februari waarvoor RTL een partij meer wilde uitnodigen dan de vier partijen die VVD en PVV als maximum hadden gesteld. De ervaring van de vorige verkiezingen, toen PvdA-er Samson onverwachts nog in de tweestrijd kon inbreken, heeft hen voorzichtig gemaakt. De eigen kopman uit de race halen is echter ook een riskante strategie. RTL-4 heeft inmiddels aangekondigd dat het premiersdebat toch doorgaat, met de voormannen van de vijf partijen uit de tweede groep: Asscher, Roemer, Klaver, Pechtold en Buma. Die zullen het waarschijnlijk niet nalaten om Rutte en Wilders te betichten van bangelijk wegduiken voor publiekelijke verantwoording op een moment dat een echte premierskandidaat juist zou moeten tonen wat hij waard is [5].

Voetnoten:​
[1] Het item Verkiezing of loting? is als volgt voorgelegd in het LISS-panel: 
De verkiezingen bepalen de verdeling van de zetels over de verschillende politieke partijen. Een aantal mensen vindt dat er géén verkiezingen meer moeten komen, maar dat door middel van loting iedere Nederlandse burger kans moet maken om in de Tweede Kamer te komen. Kies het antwoord dat het beste uw mening weergeeft:

  • geen enkele zetel moet door loting worden ingevuld (alleen de verkiezingen bepalen de zetelverdeling)
  • alle zetels moeten via loting worden ingevuld (verkiezingen zoals die nu zijn kunnen worden afgeschaft)
  • een deel van de zetels moet door loting worden ingevuld 
    > indien die aangevinkt, dan vraag naar percentage (Hoeveel procent dan?)

[2] D. van Reybrouck, Tegen verkiezingen, Amsterdam: De Bezige Bij, 2013.
[3] J. Dryzek, Deliberative democracy and beyond, Oxford University Press, 2000; J. Fishkin, When the people speak, OUP, 2009; R. Goodin, Innovating Democracy, OUP, 2010.
[4] We moeten daarbij wel blijven rekenen met onzekerheidsmarges: zie het gebied rond de trendlijnen, aangegeven met dezelfde doch lichtere kleur.
[5] Vgl. J. Green, The eyes of the people: democracy in an age of spectatorship, OUP, 2009.

Per Stem Wijzer?

Deze tekst heeft betrekking op de dataset van: donderdag 09 februari 2017
 

Door: Charlotte Wagenaar, Tilburg University (Tilburg School of Governance)

Afgelopen week werd de StemWijzer gelanceerd. Het belooft weer een veel geraadpleegd instrument te worden: voor eerdere parlementaire verkiezingen maakte zo’n 40 procent van de kiesgerechtigde bevolking er gebruik van[1]. Tijdens de lancering kwamen dit jaar alle lijsttrekkers op hun eigen partij uit, al kwam de tweede keuze voor een aantal lijsstrekkers als een verrassing. Zo had ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers niet verwacht qua standpunten sterk overeen te komen met nieuwkomer DENK en kwam Emile Roemer (SP) uit op de Partij voor de Dieren. Premier Rutte kon zich naar eigen zeggen wel vinden in de SGP als tweede keuze na de VVD[2]. Hoe verhoudt zich dit tot de eerste en tweede voorkeuren van kiezers? Uit de resultaten van onze respondenten uit het LISS panel blijkt deze week dat voor kiezers die de kans het grootst achten op de VVD te stemmen de tweede voorkeur uitgaat naar D66, gevolgd door het CDA (zie grafiek 1). De SGP wordt door slechts 2 procent van deze groep als tweede keuze bestempeld. Ook voor respondenten met een voorkeur voor SP en CU komt de tweede keuze niet overeen met die van de lijsttrekker. De tweede voorkeuren gingen daar respectievelijk naar GroenLinks en – niet geheel verrassend – het CDA en de SGP. Van de 132 respondenten met een eerste voorkeur voor de ChristenUnie overweegt er zelfs geen één om op DENK te stemmen[3].

Grafiek 1: Respondenten met als eerste keuze VVD


N = 650. Percentages geven het aantal respondenten met als eerste keuze de VVD dat de genoemde partij als tweede keuze heeft. Het kan ook gaan om een gedeelde eerste keuze – dat wil zeggen, een even hoge kans om op de VVD als op de andere partij te stemmen.

Grafiek 2: Respondenten met als eerste keuze PVV


N = 489

Grafiek 3: Respondenten met als eerste keuze D66


N = 469

Ook respondenten met een neiging naar D66 en PVV hebben tamelijk uitgesproken tweede voorkeuren. Respondenten met een voorkeur voor PVV leunen in tweede instantie richting 50PLUS en de VVD (zie grafiek 2). De hang naar 50PLUS is te verklaren vanuit een gedeelde voorkeur voor het verlagen van de AOW-leeftijd en een tot op zekere hoogte gemeenschappelijke afkeur van globalisering, waarin de beide partijen elkaar in de aanloop naar het Oekraïne-referendum al konden vinden. Overeenkomsten tussen de PVV en VVD op economisch gebied en op kernthema’s als de kilometerheffing en financiering van de publieke omroep verklaren de populariteit van de VVD als tweede keuze voor respondenten met een PVV-voorkeur. D66-gezinde respondenten neigen in tweede instantie in groten getale naar GroenLinks, een partij die voor bijna 40 procent van hen een gelijkwaardige of tweede keuze vormt (zie grafiek 3). Gezien de overeenkomstige standpunten op het gebied van internationale samenwerking en sociale zekerheid is dat geen grote verrassing. Zoals al bleek uit de analyse van de keuzesets van kiezers in de eerste week van dit panel, nemen kiezers vaak partijen in overweging die ideologisch dicht bij elkaar liggen.

Of deze ideologie ook altijd duidelijk naar voren komt in de specifieke standpunten van stemwijzers is de vraag. Uit onderzoeken in verschillende landen blijkt dat bij kiezers de initiële voorkeurspartij vaak niet als eerste uit de bus komt bij een online stemwijzer[4]. Dat kan komen door het ontwerp van de stemwijzer, zoals de voorgelegde stellingen of de calculatiemethode. Hierdoor kunnen de uitkomsten bij verschillende stemwijzers voor eenzelfde kiezer flink verschillen[5]. Kiezers nemen de uitslag van de Stemwijzer en vergelijkbare stemwijzers ook niet klakkeloos over. Volgens Will Tiemeijer van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid baseren kiezers hun stem niet volledig op stemwijzers maar spelen intuïtie en gevoel een grote rol: “Kiezers voelen intuïtief aan of ze bij een partij thuishoren of niet, en baseren daar ook hun stem op.”[6]. Een stemwijzer is voor veel kiezers een instrument om de eigen standpunten op een serie onderwerpen te vergelijken met die van verschillende politieke partijen, maar biedt geen garanties voor de keuze in het stemhokje. Uit de resultaten van een datalek in de StemWijzer kunnen we dan ook niet veel afleiden over de daadwerkelijke populariteit van de partijen.

Ondertussen is de commotie over het aantal deelnemende partijen weer iets afgenomen. Van de 28 partijen die een week geleden bekend werden gemaakt zijn er 17 nieuw[7]. Wat zijn de zetelkansen voor deze nieuwe partijen? Van onze respondenten gaf deze week een klein percentage aan te overwegen op DENK, VNL of een andere nieuwe partij te gaan stemmen (zie grafiek 4). Volgens de laatste prognose zijn DENK en VNL beiden goed voor een zetel. Dankzij het stelsel van evenredige vertegenwoordiging maken nieuwe partijen in principe een aanzienlijke kans om het parlement te halen. Competitie tussen 15 partijen uit de categorie ‘anders’ om de benodigde 0,67 procent van de stemmen voor één zetel, kan dat echter nog lastig maken. Opvallend aan de huidige prognose is wel dat eenmaal binnen zijn kán leiden tot groeiend succes: na het behalen van een eerste zetel in 2011 groeide 50PLUS in 2012 naar 2 zetels maar staat de partij in de peilingen inmiddels op 8 zetels. Voor nieuwe partijen geldt wellicht: alle begin is moeilijk…

Grafiek 4: Percentage respondenten dat overweegt op nieuwe partijen te stemmen


Noten: N = 3207. Respondenten waarvan de kans groter dan 0 is om op genoemde partijen te stemmen. Respondenten kunnen hun kansen over meerdere partijen hebben gespreid en derhalve gelijktijdig van meerdere categorieën deel uitmaken.

Voetnoten:
[1] Aldus data van de Dutch Parliamentary Elections Studies voor Tweede Kamerverkiezingen tussen 2006 en 2012.
[2] NOS (2017). Lijsttrekkers verrast over ‘tweede keus’ in Stemwijzer. 6 februari 2017.
[3] Dat wil zeggen, geen enkele respondent geeft de kans om op deze partij te stemmen meer dan 0 procent.
[4] cf. Walgrave, S., Van Aelst, P. & Nuytemans, M. (2008). ‘Do the vote test: the electoral effects of a popular vote advice application at the 2004 Belgian Elections. Acta Politica, 47, pp.400-422; Wall, M., Sudulich, M.L., Costello, R. & Leon, E. (2009). Picking your party online: an investigation of Ireland’s first online voting advice application. Information Polity, 14, pp.203-218.
[5] Rosema, M., Anderson, L. & Walgrave, S. (2014). The design, purpose, and effects of voting advice applications. Electoral Studies, 36, pp.240-243.
[6] In: De Volkskrant (2017). Stemwijzers bieden hulp in tijden van keuzestress. 8 februari 2017.
[7] Officiële bekendmaking door de Kiesraad: https://www.kiesraad.nl/actueel/nieuws/2017/02/03/partijen-nemen-deel-aan-tweede-kamerverkiezing-2017

Titel gebaseerd op VARA televisieprogramma ‘Per Seconde Wijzer’.

Als de formatie komt, mag ik dan bij jou?

Deze tekst heeft betrekking op de dataset van: vrijdag 03 februari 2017
 

Door: Marc van de Wardt, Tilburg University (Tilburg School of Governance), Universiteit Gent (GASPAR)

Onlangs heeft de Raad voor openbaar bestuur (Rob) advies uitgebracht aan de regering over de negatieve gevolgen van de huidige electorale versnippering. De Rob stelt dat het wel meevalt met de negatieve gevolgen: electorale versnippering is iets van alle tijden en ook is het de vraag of versnippering leidt tot minder bestuurlijke slagkracht. Zoals uitgezocht door NRC Handelsblad is de Nederlandse minderheidsregering (in de Eerste Kamer) erin geslaagd om grotendeels uit te voeren wat ze in het regeerakkoord beloofde: 80 procent van de doelstellingen werd volledig of deels uitgevoerd, terwijl slechts 20% van de plannen mislukte[2]. Dat we als gevolg van electorale versnippering in de toekomst wellicht meer minderheidsregeringen gaan zien, is volgens de Rob dus geen ramp. Wel onderkent de Rob (2016) dat fragmentatie coalitievorming complexer maakt omdat er vele mogelijke alternatieve coalities zijn. Voor kiezers wordt dus steeds onduidelijker hoe een stem zich in een coalitie vertaalt: “de verkiezingsstrijd ging tussen Rutte of Samson, maar men kreeg Rutte en Samson” (Rob 2016: 18). Als oplossing draagt de Rob aan dat politieke partijen gaan werken met zogenaamde stembusakkoorden: voor de verkiezingen geven zij aan met wie ze willen regeren. Kiezers krijgen zo grotere invloed op het formatieproces – al blijft het natuurlijk de vraag of de alliantie waar zij op stemmen ook daadwerkelijk een meerderheid haalt.

Wat zijn eigenlijk de coalities die kiezers graag samen zien regeren? Om dit te achterhalen, hebben wij respondenten van het LISS panel gevraagd welke partijen ze graag willen zien samenwerken na afloop van deze verkiezingen. Onder de grafieken vindt u de letterlijke vraagstelling. Opvallend is dat slechts 5,9 procent van de 2632 respondenten een coalitie noemt die op grond van onze peiling van vrijdag 3 februari een meerderheid in de Tweede Kamer zou halen. De meeste respondenten hebben zich bij het geven van hun voorkeur dus niet laten leiden door de electorale slagkracht van hun coalitie. Grafiek 1 laat de 10 meest genoemde coalities zien. Met 4,8 procent is een coalitie van VVD-CDA-D66 de duidelijke winnaar. Op economische issues zijn de verschillen tussen deze partijen niet al te groot, al is D66 wel een stuk progressiever op kwesties als migratie. Niettemin lijken de verschillen overbrugbaar. Op nummer 2 en 3 vinden we links/progressieve blokken. Voorstanders lijken het erover eens te zijn dat PvdA, D66 en GroenLinks moeten gaan samenwerken, maar de meningen zijn verdeeld wat betreft het toevoegen van de SP. De EU-scepsis en het populisme van de SP zou hieraan ten grondslag kunnen liggen. Wat verder opvalt, is dat respondenten de PVV het liefst alleen zien regeren. Hiervoor kan ik twee oorzaken bedenken: PVV-aanhangers willen niet dat de PVV in een coalitie water bij de wijn moet doen, of PVV-ers zijn inmiddels op de hoogte van het cordon sanitaire dat tegen de PVV is afgekondigd – al ziet 1,9 procent van de respondenten een coalitie PVV-VVD nog steeds zitten.

In grafiek 2 laat ik de 13 meest genoemde coalities zien die op basis van de stand in onze peiling ook daadwerkelijk een meerderheid in de Tweede Kamer zouden halen. Ik kies nu voor 13 in plaats van 10 coalities, omdat nummer 9 tot en met 13 even vaak genoemd werden. Ten eerste zien we dat tenminste 4 partijen moeten samenwerken om een meerderheidsregering te kunnen vormen. Dit is een direct gevolg van de electorale versnippering. Verreweg het meest genoemd is de coalitie VVD-PvdA-CDA-D66. Hierbij moet wel gezegd worden dat deze regering niet erg populair is bij de kiezer: slechts 1,25 procent van de respondenten koos voor deze regering. Verder gaat het hier om een samenwerking tussen de traditionele machtspartijen. Het nadeel van zo’n grand coalition is dat de oppositie niet langer partijen bevat die een realistisch alternatief voor de regering vormen. Met uitzondering van de ChristenUnie, zitten alle partijen die in het verleden geregeerd hebben immers in de regering, waardoor deze partijen in de ogen van sommige kiezers teveel op elkaar kunnen gaan lijken. Onderzoek toont aan dat flankpartijen over het algemeen van grand coalitions profiteren in de daaropvolgende verkiezing[3]. Tot slot valt op dat er niet volledig over links of over rechts geregeerd kan worden. De linkse blokken uit grafiek 1 hebben geen meerderheid. Wat betreft rechts, zou een coalitie VVD-PVV-CDA-D66 het halen, al kan D66 eigenlijk niet als rechts gezien worden. Ook is het onwaarschijnlijk dat al deze partijen met de PVV willen samenwerken.

Ik deel de mening van de Rob dat stembusakkoorden een welkome aanvulling op het kiessysteem zijn, maar deze resultaten laten wel zien dat als gevolg van de huidige versnippering de meest populaire coalities geen meerderheid halen. Dit zou betekenen dat er na de verkiezing alsnog onderhandeld moet worden, wat kiezers weer minder controle over het formatieproces geeft. Hierbij moet wel gezegd worden dat het in de Scandinavische landen waar stembusakkoorden bestaan ook gebruikelijk is om minderheidsregeringen te vormen. Hierbij bestaat geen bewijs dat minderheidsregeringen minder bestuurskracht hebben[4]. Ook laten de Scandinavische landen zien dat minderheidsregeringen niet noodzakelijkerwijs instabieler zijn[5]. Het is dus zeker een optie om met stembusakkoorden te werken als we tegelijkertijd het idee loslaten dat regeringen een meerderheid in de Kamer moeten hebben. Ook gaan kiezers wellicht strategisch stemmen als van te voren vast staat welke regeringscoalities gevormd kunnen worden. Misschien krijgen ideologisch coherente blokken zoals bijvoorbeeld een economisch links/progressief of een economisch rechts/conservatief blok dan wel genoeg stemmen om aan een meerderheid te komen.

Grafiek 1. Meest genoemde coalities


Noten: N=2632.

Grafiek 2. Meest genoemde meerderheidscoalities


Noten: N=2632. Slechts 5.9 procent van de respondenten noemde een coalitie die een meerderheid zou behalen volgens onze peiling van 3 februari 2017

Vraagstelling:

Voetnoten:
[1]Titel: Naar het nummer van Claudia de Breij “Mag ik dan bij jou”
[2]https://www.nrc.nl/nieuws/2017/01/13/rutte-ii-deed-grotendeels-wat-het-beloofde-in-2012-6201907-a1541244
[3]Arzheimer, K., & Carter, E. (2006). Political opportunity structures and right‐wing extremist party success. European Journal of Political Research, 45(3), 419-443
[4]Cheibub, J. A., Przeworski, A., & Saiegh, S. M. (2004). Government coalitions and legislative success under presidentialism and parliamentarism. british Journal of political science, 34(04), 565-587.
[5]Raad voor het openbaar bestuur / de Lange, S.L., 2016. Signalement politieke versnippering.

PVV-ers en VVD-ers zweven het minst

Deze tekst heeft betrekking op de dataset van: vrijdag 27 januari 2017
 

Door: Marc van de Wardt, Tilburg University (Tilburg School of Governance), Universiteit Gent (GASPAR)

Op 24 januari is Tilburg University met het Verkiezingsonderzoek in het LISS panel gestart. Een groep  van 3.500 panelleden zal tot op een dag voor de Tweede Kamerverkiezingen van 15 maart gevolgd worden. Als we kijken naar de resultaten die vandaag –  27 januari – op de website verschenen, springen een aantal opvallende zaken in het oog. Het meest opvallend is dat volgens onze peiling geen statistisch significant verschil meer bestaat tussen de steun voor VVD en PVV in termen van het behaalde aantal zetels[1]. Op 18 januari wees de Peilingwijzer van politicoloog Tom Louwerse nog uit dat de PVV significant op voorsprong lag[2,3]. Onze peiling is echter niet zonder meer vergelijkbaar met de resultaten van Louwerse, omdat we inmiddels weer 9 dagen verder zijn. Ook in een korte periode kan een hoop gebeuren. Het belangrijkste wapenfeit was dat premier Rutte 15 januari in Buitenhof verklaarde dat de kans nul is dat zijn partij met de PVV gaat regeren, terwijl hij tegelijkertijd in een open brief aan het volk verklaarde dat mensen normaal moeten doen of anders maar moeten vertrekken. Op het eerste gezicht lijkt dit een effectieve strategie: de grootste concurrent op rechts uitsluiten, maar wel positioneel naar haar toeschuiven. PVV aanhangers zouden kunnen concluderen dat een stem op PVV een verspilde stem is en dat zij maar beter naar de VVD kunnen overlopen. Onderzoek laat echter zien dat een cordon sanitaire ook averechts kan werken[4]. Het blijft dus gissen wat de inhaalslag van de VVD verklaart. Laten we afwachten hoe de tweestrijd zich verder ontwikkelt.

In hoeverre zweeft de Nederlandse kiezer? Dit kan mooi in kaart gebracht worden omdat wij respondenten vragen hoe groot ze de kans achten op elke partij te gaan stemmen (totale kans over alle partijen telt op tot honderd). In drie grafieken laten we zien welk deel van de kiezers zweeft en tussen welke partijen mensen twijfelen. Grafiek 1 laat zien dat slechts 27 procent van de  geenqueteerden op dit moment niet twijfelt tussen meerdere partijen: er zit maar 1 partij in hun  keuzeset. Zij zweven niet. Grafiek 2 laat zien dat de aanhang van PVV en VVD met een score van rond de 20% het best vertegenwoordigd is onder de “vastbeslotenen”. Tot slot laat grafiek 3 de meest voorkomende keuzesets zien.  Een partij wordt opgenomen in de keuzeset als de gerapporteerde kans erop te stemmen groter is dan nul. In lijn met eerder onderzoek van Tom van der Meer en co-auteurs, laten de resultaten zien dat kiezers zweven binnen ideologische blokken[5]. De meest voorkomende keuzeset ‘VVD-D66’ – iets meer dan 4 procent van “de zwevers” twijfelt tussen beiden – is logisch, gezien de liberale inslag van beide partijen. Als we ons het Nederlandse partijsysteem voorstellen als een tweedimensionale ruimte bestaande uit een economische links-rechts en een progressief-conservatief dimensie is het ook niet verrassend dat ‘VVD-CDA’ in een set zitten. Op beide dimensies staan deze partijen niet zo gek ver van elkaar af. ‘PvdA, D66 en GroenLinks’ staan op de progressief-conservatief dimensie dicht bij elkaar, al staat D66 op de economische dimensie iets verder naar rechts. En de combinatie ‘VVD-PVV’ – die volgens Rutte niet gaat regeren – komt vooral overeen wat betreft hun conservatisme. Zoals gezegd komt de keuzeset ‘VVD-D66’ echter beduidend vaker voor. Het is dus de vraag of het zo’n goed idee van de VVD was mensen op te roepen normaal te doen of het land te verlaten. Rutte kan hiermee kiezers die twijfelen tussen VVD en het progressieve D66 kwijtraken aan D66, terwijl hij hier minder PVV-ers voor terugkrijgt. Dat gezegd hebbende, de veel voorkomende keuzesets zijn ideologisch goed verklaarbaar. Dit geldt zelfs voor de hekkesluiter van meest voorkomende sets, ‘SP-PVV’: beide partijen bedienen zich graag van populisme, een “dunne ideologie” die het volk centraal stelt dat uitgemolken zou worden door de corrupte elite[6].

Grafiek 1. Aantal partijen in keuzeset


Noten: N=2820. Een partij wordt deel van een keuzeset als de kans groter dan nul is dat de respondent erop zal stemmen.

Grafiek 2. Niet-zwevende kiezers naar partij


Noten: N=765. Een kiezer zweeft niet als zij de kans 100% acht op een partij te stemmen

Grafiek 3. Zwevende kiezers naar keuzeset


Noten: N=2055. Een kiezer zweeft als zij bij ten minste 2 partijen aangeeft de kans groter dan nul te achten erop te stemmen.

Voetnoten:
[1]Het 95%-betrouwbaarheids interval waarmee de steun voor VVD in de populatie geschat wordt overlapt met het 95% betrouwbaarheidsinterval rondom de steun voor de PVV.
[2]Zie: http://peilingwijzer.tomlouwerse.nl/. Louwerse schat de steun voor partijen door het gemiddelde te nemen over resultaten van meerdere peilingen van verschillende pijlers die kort na elkaar uitgevoerd zijn. Dit is een strategie om de foutmarge te verkleinen die inherent aan steekproeven is.
[3]Louwerse neemt het gemiddelde over meerdere peilingen, dus niet alle peilingen die gebruikt zijn liggen even dicht bij de publicatiedatum van 18 januari. Het effect van de uitspraken van Rutte over regeren met de PVV is dus slechts deels in de cijfers van Louwerse terug te zien – als het überhaupt een effect heeft natuurlijk.
[4]Van Spanje, J., & Van der Brug, W. (2009). Being intolerant of the intolerant. The exclusion of Western European anti-immigration parties and its consequences for party choice. Acta Politica, 44(4), 353-384.
[5]Van der Meer, T., Lubbe, R., Van Elsas, E., Elff, M., & Van Der Brug, W. (2012). Bounded volatility in the Dutch electoral battlefield: A panel study on the structure of changing vote intentions in the Netherlands during 2006–2010. Acta Politica, 47(4), 333-355.
[6]Mudde (2007). Populist Radical Right Parties in Europe. Cambridge: Cambridge University Press.